Oppasoma

Ze brengt met trillende handen de kop thee naar haar lippen. Ze haalt diep adem, alsof ze iets wil zeggen, maar neemt dan een slok. Ik zeg niets wanneer ze de kop terugzet op tafel en het bijna omgooit. Ze ziet niet alles even goed meer en toch vertrouw ik erop dat ze zichzelf kan redden.

Ze geeft me altijd koekjes wanneer ik op bezoek kom. Weigeren is geen optie. Ik neem me voor om te gaan wanneer ik mijn thee op heb – ze wordt snel moe – maar ik vergeet de tijd. Soms vertelt ze over vroeger, over toen ze mijn leeftijd had en er oorlog was. Soms vraagt ze me naar mijn ouders, mijn broer, mijn vrienden. Soms zeggen we even niets. Dat is ook prima.

“Vind je het niet heel vervelend?”, vraagt ze wanneer ze even de draad kwijt is.
Nee. Het antwoord is altijd nee.
“Neemt u gewoon de tijd”, zeg ik.
Ik ben er niet om op mijn telefoon te kijken, om te taggen en hashtaggen, om popcultuur te bespreken of te roddelen. Niet dat daar iets mis mee is, maar het hoeft niet altijd. Ik ben er om thee te drinken, mijn verplichte (maar altijd heerlijke) koekje te eten, en een gesprek aan te gaan.

“Heb je kennissen van mijn leeftijd?”, zegt ze.
Ik glimlach. Ik kom niet vaak mensen tegen die zeventig jaar ouder zijn dan ik, gek genoeg. Maar als ik haar spreek, dan wou ik dat iedereen iemand kende zoals zij.