De Nachttrein

De nachttrein van Utrecht naar Rotterdam gleed door de soep van duisternis als een slang. Af en toe lichtten de schermen in de coupés wit op en gaven ze de eerstvolgende halte aan. Door de ramen was niets anders te zien dan zwart en de dansende lichten.

Zij zat in de trein. Zij, met haar zwarte haar en haar tas naast zich als een barrière tegen de andere reizigers. Zij, met haar blik steevast op haar telefoon waarmee ze binnen twintig seconden volledige paragrafen in grammaticaal correcte volzinnen kon uittikken. Ze viel bijna in slaap. Het beeldscherm was haar droomwereld. Af en toe glimlachte ze iets. Waarom moest ze glimlachen? Ze was het al vergeten wanneer ze doorscrollde. Haar aandacht dwaalde. Het was half vier. Het volgende station was Amsterdam Centraal. Dat wist ze uit haar hoofd. Zij hoefde niet te kijken. Zij kende het traject.

Utrecht Centraal – Amsterdam Centraal – Schiphol Airport – Leiden Centraal – Den Haag Holland Spoor – Delft – Rotterdam Centraal – Fiets – Huis – Bed

Slaap.
Ze was zo bezig met haar telefoon dat de persoon die de coupé binnenkwam haar niet opviel. Zij typte net een reactie op een Facebookbericht. Belangrijke zaken. De wassende maan gluurde door het raam. De onbekende persoon liep, liep, liep, hij was dichtbij haar en zij zag en hoorde niets. Zij schreef een bericht naar haar beste vriendin over hoe moe ze was. Belangrijke zaken. Hij – de persoon die nog geen naam droeg – legde zijn hand op de hoofdleuning waar haar tas lag te waken. Zij, nog midden in een reeks emoji’s, belangrijke zaken dus, schrok zo erg dat ze haar telefoon omhoog gooide. Ondanks de pogingen van de man om het ding op te vangen, viel het met een onverbiddelijke klap op de grond. De scheuren in het scherm waren meteen al zichtbaar.


Zij vloekte. Niet zachtjes. De maan zag haar lippen het woord vormen, van een grimas naar een O naar een bijna poëtisch gespuug.
GOD-VER-DOM-ME
Hij bood zijn excuses aan, omdat hij er niets aan kon doen maar zich wel schuldig voelde. Hij pakte de telefoon beet als het ware een hulpeloos vogeltje en zij pakte het met dezelfde voorzichtigheid aan. Het ding leefde nog, maar de barst liep van linksonder naar rechtsboven in een zigzag over het scherm. Ze voelde met haar duim over de richel en telde in haar hoofd het geld op dat ze ervoor neer zou moeten leggen.
Hij stond daar maar. Hij had er net zo goed niet kunnen zijn. Er kwamen woorden uit zijn mond, maar zij luisterde niet. Iets met ‘sorry’, iets met ‘vergoeden’, iets wat leek op ‘lomp’. Hij stelde een vraag. Mogelijk.
“Wat?”, zei ze.Waar ga je heen?”
Zij leunde naar achteren in haar stoel. “Naar huis.”
Hij wist
         dat zij wist
                dat hij de plaats bedoelde.

“Waar staat je huis?”
“Rotterdam.”
Hij knikte. Ging ze nog aan hem vragen waar hij heen moest? Nee. Hij had zijn antwoord al helemaal klaar en ze vroeg hem niets. Hij wilde zeggen, “Ook huis, misschien de jouwe?”. Verloren kans. Hij moest het onthouden voor de volgende keer.
Zij keek niet meer naar hem. Hij ging zitten aan de rechterkant van de trein, naast haar bank, en bleef haar aankijken. Ze wreef nog over haar telefoon. Ze moest niet huilen, niet extern tenminste. Hij haalde adem om nog iets te zeggen, maar er kwam niets uit. Beter voor hem. Ze wilde duidelijk niet praten. Hij keek uit het raam, de allesomhullende nacht in. Er was geen mooiere plek om je eigen bestaan te overdenken dan de nachttrein. Er waren geen andere prikkels dan je eigen brein, als je dat wilde. Hij wilde dat. Hij zag de trein als de enige plek waar je even niet hoefde te bestaan. Weg van de drukte, het gepraat, de notificaties, de overweldigende en allesvullende leegte van de tegenwoordigheid. Hij had er een hekel aan. Hij ging nergens heen. Dat zou hij niet vertellen. Hij had haar nooit de waarheid kunnen zeggen. Dit was de zesde keer die week dat hij de nachttrein nam. De slapeloosheid had nog nooit zo ontspannend gevoeld, met zijn gloednieuwe abonnement van de Nederlandse Spoorwegen, zijn nieuwe beste vriend. Ook al ging hij nergens heen, toch had hij het gevoel in beweging te zijn. Als hij zijn hoofd tegen de ruit legde en zijn ogen sloot, kon hij de deining van het spoor voelen. Dichterbij rust kwam hij tegenwoordig niet meer.
Zij was in slaap gevallen. Ze wreef het er bij hem in door af en toe te snurken. Het was niet aandoenlijk, zoals dat soms was bij mensen. Hij vond het overdreven, onnodig, stiekem gemeen. Ze pakte hem terug voor de schade die hij had aangericht, hij wist het zeker. Toch kon hij zich er niet toe brengen ergens anders te zitten. Zij was een nieuw element na bijna een week eentonige eenzaamheid. Hij onderdrukte zijn neiging op zijn telefoon te kijken. Hij onderdrukte een andere neiging, namelijk om hard te kuchen zodat ze wakker werd. Hij keek weer uit het raam. De moeheid was er altijd, maar de slaap kwam nooit. Die bleef toekijken.
De conducteur kwam langs, knikte naar hem, keek naar haar, liep door zonder te controleren. Zijn tred was te horen tot hij in de volgende coupé was. Zij opende haar ogen, keek naar haar reflectie. Soms vond ze het vreemd om haarzelf te zien. De ogen van waaruit ze keek waren niet de ogen die naar haar terugstaarden, zo leek het. Ze zou haar spiegelbeeld er ooit nog op betrappen dat ze niet snel genoeg meeknipperde. Ze keek snel weg, voor het gevoel te sterk werd.
Ze tikte een bericht, langzamer, want de kras liep over de Z, S, E, R, D. De autocorrect redde haar zinnen en taal. Ze vervloekte de jongen in haar berichtjes. Daar wist de jongen niets van, maar hij voelde het vast. Ze hoopte dat in ieder geval.
Leiden Centraal. De deuren bleven dicht. Had hij nu geslapen? Hij wist het niet. Hij werd verblind door het licht op het station. Alles zag eruit als een decor. Die broodjeszaak? Van karton. De bankjes? Net neergezet. De acteurs waren al naar huis. De lichttechnicus zou ontslagen moeten worden. Veel te fel. Te weinig sfeer. Hij vond zichzelf heel grappig, zo grappig dat hij het idee kreeg om er een performance van te maken. Op het station. Met echte nepbankjes en acteurs. Hij dacht dat het briljant was en vergat vervolgens meteen zijn idee.
Hij ging het nog een keer proberen.
Ga je vaker met de nachttrein?”
Zij zuchtte en bleef het raam uitkijken.
Ja”, zei ze.
Stilte.
Ze moest toch meer te vertellen hebben dan dat, dacht hij, haar terughoudendheid was vast een uitdaging om haar juist uit haar schulp te laten kruipen. Ze zou vast met hem willen praten als hij ook wat meer zou vertellen. Toch?
“Ik normaal niet”, zei hij. “Ik werk overdag eigenlijk gewoon, naast mijn studie. Wat doe jij eigenlijk.”
“Ik werk.”
“Wat voor werk doe je?”
Zij draaide zich naar hem. Haar gezicht was uitdrukkingsloos. Hij wist niet goed hoe hij dat moest lezen. De meeste mensen hebben een duidelijke emotie op hun gezicht, zelfs als ze die proberen te verbergen. Zo wist hij hoe hij met mensen moest praten. Je moest aflezen wat ze voelden en daar op inspelen. Maar dit meisje liet niets zien op haar gezicht. Ze was onmogelijk om te lezen, wat hem nog meer reden gaf om met haar te praten. Hij moest en zou haar doorgronden. Ze had nog niet geantwoord.
“Wil je het liever niet vertellen?”, vroeg hij. “Dat is ook goed hoor, ik hoef niet alles van je te weten. We zijn ook maar vreemdelingen voor elkaar. Misschien doe je wel iets heel belangrijks, iets wat geheim moet blijven. Ik snap het wel. Sommige dingen wil je privé houden, of wil je gewoon niet altijd delen. Is het nachtwerk? Je kunt wel een hint geven, toch? Is dat waarom je deze trein moet hebben? Als je het wil vertellen, hoor. Ik dacht, ik begin gewoon een gesprekje, maar als je daar geen zin in hebt…”
Ze bleef uitdrukkingsloos. Hij bleef staren.
“Waarom?”, zei ze.
Hij knipperde een paar keer. “Waarom wat?”
Waarom wil je een gesprekje?”
“Oh.” Hij schoof in zijn stoel. Zij stelde een vraag, hoorde je dat? Zij had vast wel interesse in hem, ze stelde uit zichzelf een vraag. Hij wist alleen niet echt het antwoord op de vraag, en zij zag er niet bijzonder blij of boos of moe of bang of geïrriteerd of verdrietig uit, dus hij kon ook niks gokken. “Ik weet het niet”, zei hij. “Dat hoort zo, toch?”
“Waarom?”
“Geen idee”, zei hij.
Dit wat geen normaal meisje. Dat was duidelijk. Dit was een briljant meisje. Hij voelde het. Dit meisje stelde de belangrijke vragen. Geen gezeur over make-up of populaire cultuur of vriendinnen die zich gedroegen als sletten. Dit meisje was anders. Ze zou vast met hem willen praten over filosofie en de betekenis van het leven, als die al bestond, en God, als die al bestond. Hij kon niet wachten om het gesprek voort te zetten, al voelde het wel als het oversteken van een wilde stroom over een stel gladde stenen. Hij wist niet goed waar hij zijn verbale voeten neer kon zetten. Zij keek hem gewoon aan, een wilde stroom zijnde.
“Ik dacht dat het wel prettig zou zijn, om iemand te spreken. Het zou jammer zijn als we hier een paar uur in de trein doorbrengen zonder een woord met elkaar te wisselen.”
Stilte.
“Vind je niet?”
Zij haalde haar schouders op. “Je kunt niet iedereen vertrouwen.”
Zei ze nu dat ze hem niet kon vertrouwen?
Den Haag Holland Spoor. Er was niets anders om hen heen dan gebouwen die als reuzen tussen de duisternis oprezen. Ze torenden boven hen uit, blokkeerden de maan, en bleven stoïcijns staan terwijl hij zich weer op een steen probeerde te hijsen nadat hij het water in was gevallen. Er stapte ergens iemand in of uit, de deuren gingen open en dicht, een fluitsignaal ging, de trein reed weer.
“Ik ben echt niet gevaarlijk. Echt. Ik struikelde vanmiddag over een dennenappel”, lachte hij. Zij vertrok geen spier. Misschien was het een aandoening waarbij het onmogelijk was om je gezicht te bewegen. Hij had medelijden met haar door hem bedachte ziekte. Het zou vast heel moeilijk zijn om zo een relatie op te bouwen met mensen, of een baan te krijgen. Ze was vast ook iemand die niet kon slapen.
“Je weet pas of iemand te vertrouwen is als je ze spreekt”, zei hij. “Je beste vrienden waren ooit vreemden. En ik zal je niks doen hoor, als je daar bang voor bent. Ik zit helemaal hier. Als ik echt iets had willen doen…”
“Dan?”, zei ze, niet op een bange toon, niet eens arrogant, maar zo neutraal als een wit koffiekopje.
Hij voelde zich ongemakkelijk. “Dan was ik dichterbij komen zitten, denk ik, of ik had je lastiggevallen. Of zoiets. Ik ben geen aanrander, dus ik weet het niet.”
“Sommige mensen zijn gevaarlijk zonder dat je dat doorhebt.”
“Ik heb het ook niet over jou.”
Delft. Hij had een kriebel in zijn buik, die zich uitspreidde als een parasiet door zijn gehele lichaam. Het voelde als haken in zijn armen en benen en een wolk stof in zijn hoofd. Er gierde iets door hem heen. Adrenaline, naar alle waarschijnlijkheid. Hij wist niet veel meer van biologie, maar dat nog wel. Iets zei hem dat hij de trein uit moest gaan, maar hij kon niet bewegen. Bovendien sloeg het nergens op. Dit meisje maakte een grapje. Dat is waarom ze niet moest lachen. Ze was hem in de maling aan het nemen en hij trapte er nog in ook. Hij grijnsde. Hij had haar door. Ze was slim. Ook nog eens mooi. Hij had het al gezien toen hij haar liet schrikken, maar nu pas drong het echt tot hem door. Ze was prachtig, een schoonheid. Haar zwarte haren, de ronding van haar neus, haar kaaklijn, de ketting die in haar decolleté verdween. De trein reed verder, maar het viel hem niet op. Hij kon zijn blik niet van haar los scheuren, maar dat wilde hij ook niet. Hij was niet verbaasd toen ze opstond van haar stoel en zich langs haar tas draaide. Dat was ook niet gek, want toen zag hij haar hele lichaam. Hij had niet eerder gezien hoe mooi de rest van haar was. Ze stond nu schuin naast hem, ze had zelfs kunnen gaan zitten als ze dat wilde. Ze boog zich over hem heen, hij vond het fantastisch. Dit was alle treinreizen waard. Dit was het beste moment van zijn hele miserabele week. De trein raasde door de nacht, niemand wist waar hij was, hij wist het zelf pok even niet meer. Hij glimlachte naar haar. Was dit liefde? Zij glimlachte ook. Ze was genezen van haar verschrikkelijke ziekte, en hij ook. Plotseling voelde hij dat hij zou kunnen slapen, maar dat wilde hij niet.
Er was geen schreeuw toen ze haar kaak ontwrichtte. Hij stribbelde niet tegen toen ze hem in zijn geheel opslokte en zijn resten aan haar mouw afveegde. Alles wat kon duiden op zijn aanwezigheid was de condens van zijn adem op het raam. De conducteur had het niet gezien. Hij nam aan dat de jongen er bij Den Haag uit was gegaan. Het meisje zag hij wel vaker. Het was een leuk meisje, knap ook. Toch had hij het gevoel dat hij haar met rust moest laten.
Rotterdam Centraal, moest hij nu omroepen. Eindpunt van deze trein.