Het C-woord komt voor in deze blog

Toen ik klein was wilde ik altijd met het winkelkarretje dat mijn moeder had gepakt lopen. Ik vond het zo knap dat alle volwassenen rondsjeesden met dat ding alsof het niet enorm zwaar was om ermee te draaien. Tegenwoordig heb ik een heel nieuwe associatie ermee en dat is het ranzige desinfenctiemiddel dat op mijn handen komt als ik zo’n ding aanraak.

De supermarkt is tegenwoordig een uitje van emoties geworden. Zo heb ik een onuitstaanbare frustratie ontwikkeld bij het zien van een gangpad waarin de karretjes staan geparkeerd als een wiskundig probleem. Waar sommigen met anti-mondkapjes en ‘knuffel mij’-sentiment rondschreeuwen, is mijn grootste coronaprobleem dat ik niet binnen 10 minuten buiten de super kan staan.

Wat ik het overigens wel eens ben met de virusgekkies is dat een mondkapje lang niet altijd handig is. Sta ik dus weer in de supermarkt (want waar moet je anders naartoe), pak ik een paar appeltjes en heb ik een probleem: hoe de fuck ga ik een plastic zakje openmaken met droge vingers? Wat heb je daarop te zeggen, mensen die respect hebben voor corona? Nu sta ik een over een plastic zakje te wrijven alsof ik vuur wil gaan maken. Het is een pijnlijke situatie waar we in leven.

Dit alles wil overigens niet zeggen dat ik een corona-ontkenner ben of dat ik wil dat alles zo snel mogelijk weer ‘normaal’ wordt. Ik weet op dit punt niet eens meer wat normaal is. Bioscoop, restaurant? I don’t know her. Ik heb meer de instelling “ik doe wel mee, maar ik ga er iedere seconden over klagen”. Een beetje zoals ik dus altijd al boodschappen deed. Wat dat betreft verandert er weinig aan de mens.